Fechner & Van Eeden


"Ich stand einst an einem heißen Sommertage an einem Teich und betrachtete eine Wasserlilie, die ihre Blätter glatt über das Wasser gebreitet hatte und mit offener Blüte sich im Lichte sonnte. Wie ausnehmend wohl müsste es dieser Blume sein, dachte ich, die oben in die Sonne, unten in das Wasser taucht, wenn sie von der Sonne und dem Bade etwas empfände. Und warum, fragte ich mich, sollte sie nicht? Es schien mir, daß die Natur wohl nicht ein Geschöpf für solche Verhältnisse so schön und sorgsam gebaut hätte, um es bloß als Gegenstand müßiger Betrachtung darzustellen, zumal da tausend Wasserlilien verblühen, ohne daß sie jemand betrachtet; viel mehr mutete mich der Gedanke an, sie habe die Wasserlilie deshalb so gebaut, um die vollste Lust, die sich aus dem Bade im Nassen und Lichten zugleich schöpfen läßt, auch einem Geschöpfe in vollstem Maße zugute kommen, von ihm recht rein durchempfinden zu lassen."

Gustav Theodor Fechner: Nanna oder über das Seelenleben der Pflanzen, Leipzig 184
8 

De waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief,

daar die zo blank is en zo stil haar kroon 

uitplooit in ’t licht.


Rijzend uit donker-koele vijvergrond,

heeft zij het licht gevonden en ontsloot 

toen blij het gouden hart.


Nu rust zij peinzend op het watervlak

en wenst niet meer...


In Nederland vond Fechner een medestander in, hoe kan het anders, Frederik van Eeden: ‘Zeer verheugd om Fechner’s werk. Dat is wat onze tijd behoeft. Ik zal hem meer bekend trachten te maken.’ De bezielde natuur was ook een thema in het werk van Van Eeden:

‘Had hij niet in De kleine Johannes een demonstratie gegeven van de autonome gevoels- en ervaringswereld van bloemen en planten en had hij niet zijn bekende gedicht over de waterlelie gemaakt waarin deze bloem badend in het licht en het water aan zichzelf genoeg heeft? 

Fechner had in het begin van het vierde hoofdstuk van Nanna verteld hoe hij op een zomerdag aan een vijver stond en peinzend naar een waterlelie keek die haar bladeren over het water had gespreid en mit offener Blüte sich im Lichte sonnte. Hoe uitzonderlijk gelukkig zou die waterlelie zijn, had Fechner gedacht, om van boven in het zonlicht te baden en van onderen in het water. Waarom zou een waterlelie niet kunnen voelen? Zo’n schepsel kon niet gemaakt zijn om uitsluitend voorwerp van nutteloze bespiegeling te zijn. Het was zo gebouwd dat het dat baden in zonlicht en water kon voelen.’

Jan Fontijn, Het leven van Frederik van Eeden ii, Amsterdam 1996, p. 96.

Van de Passieloze Lelie; Verzen door Frederik van Eeden, W. Versluys Amsterdam 1901, p. 5.

 

 

Make a Free Website with Yola.